Het is opvallend om te merken hoe ik heb geworsteld tijdens het schrijven van het rapport waarvoor ik dit voorwoord schrijf. Ik dacht dat ik het zomaar uit mijn mouw zou schudden. Ik werk immers al bijna tien jaar in de korte keten, met heldere keuzes voor agro-ecologie.
- Ik weet precies waarom bij die bedrijven de duurzame keuzes zijn gemaakt,
- Waarom het lastig en dus zelfs onmogelijk was om een gezond bedrijf op te bouwen,
- en ook hoe we, ook al is het moeilijk, het spreekwoordelijke tij kunnen keren om een speelveld te creëren waarin het wél lukt.
In die 10 jaar heb ik helaas veel initiatieven zien verdwijnen. Denk aan het wegvallen van meerdere bestaande initiatieven o.a. BioNoord, De Streekboer in haar originele concept en de eerdere fysieke winkelvariant in Leeuwarden.
Ik zou dus wel even opschrijven: wat er nu misgaat, waarom de logische oplossing toch niet werkt, wat er nodig is om het wel te laten werken, en hoe de wereld er daarna uit zou zien.
Elke keer als ik dacht de kern te raken, leek het of ik te ver of juist te kort schoot.
Maar het is eigenlijk heel simpel. Want ik wist al wat de conclusie was, het is alleen geen leuke conclusie.
Want het zit hem niet in nog meer pogingen doen om een eerlijk en gezond voedselsysteem op te zetten in het huidige systeem. Want we weten al lang hoe dat er uit moet zien, de agro-ecologische voedselketen kan simpelweg niet gedijen in het huidige economische systeem.
Het zit hem dus in een radicale systeemverandering om het speelveld weer eerlijk te maken. En daarvoor is eigenlijk helder Europees en Landelijk beleid nodig. Helaas is dat niet in de lijn van de verwachting dat dat er op korte termijn gaat komen.
Maar in de provincie(s) hoef je niet lijdzaam af te wachten. Integendeel!
Het speelveld aanpassen zodat het eerlijker wordt, dat ligt inderdaad niet in de macht van één iemand alleen. Dat kan ook niet morgen zijn opgelost, dat moeten we samen doen: met (lokale)bestuurders, boeren én burgers.
Toen ik in de jaren ’90 een sociaal-agogische opleiding volgde, leerde ik mensen die dreigden uit de boot te vallen, weer veilig aan boord te helpen. Nu dreigen we als soort uit de boot te vallen, en zijn diezelfde vaardigheden nodig: lenigheid in denken, lef in handelen, en moed om scherp te blijven zien wat écht speelt.
Dit is daarom geen klassiek rapport met nieuwe cijfers en grafieken, die zijn er al genoeg. Dit is een rapport uit het hart, voor het hart van alles wat leeft en wil blijven leven. Want als we zo doorgaan, worden we zelf steeds zieker en onze omgeving steeds minder leefbaar.
Ik hou ervan om zeven generaties in gedachten te houden: zowel die voor mij als die na mij. Zo blijf ik verbonden met waar we vandaan komen en waar we naartoe gaan. Ook als we er zelf niet meer bij zijn.
Ik nodig je uit mee te lezen en open te staan. Ook als je dingen leest waar je het (denkt) niet mee eens te zijn, of waar je genuanceerdere meningen over hebt? Je hebt vast gelijk. Want je kunt vanuit zoveel verschillende hoeken kijken. Juist door met elkaar al die zienswijze te delen geeft nieuwe kansen. Want iedereen zei dat het niet kon, tot er iemand kwam die dat niet wist.
Inleiding
Ons huidige voedselsysteem is uitgeput. Of eigenlijk: de bodem waarop voedsel zou moeten groeien, is uitgeput. De agro-ecologische korte keten zou een eenvoudig alternatief kunnen bieden, en toch lukt dat niet.
Er is een twist nodig die het mogelijk maakt om publiek geld toe te voegen aan de agro-ecologische korte keten zodat een eerlijk speelveld ontstaat: een nieuw economisch kader om in te denken dus ook. Een twist die politiek gezien lef vergt, bestuurlijke moed vraagt en lenigheid in denken nodig heeft om het op alle lagen van de samenleving in te bedden. Want het valt niet onder staatssteun om burgers te beschermen tegen te veel ongezond eten en om ze te beschermen tegen de gevlogen van een leven in een vervuild milieu en teruglopende natuur. Toch? Dat is bij uitstek echt een overheidstaak.
De agro-ecologische korte keten waarin veel soorten gezond voedsel worden geproduceerd met respect voor de ecologische grenzen, kan substantieel worden in Groningen en ver daarbuiten, door met een relatief kleine toevoeging van publiek geld winkels te realiseren: coöperatieve agro-ecologische (boer en burger) winkels waar je ook kunt aanschuiven. (Dit plan gaat over winkels, maar voedsel-coöperaties die in de dorpen ontstaan zijn zeer helpend in het geheel. Daar komen we later op terug.)
Het is ogenschijnlijk heel eenvoudig.
• 300 mede-eigenaren per coöperatieve winkel doen boodschappen in hun eigen winkel en schuiven er geregeld aan.
• 60 tot 100 regionale agro-ecologische leveranciers, ook als mede-eigenaar verbonden aan de coöperatie, zorgen voor een gezond, supermarktwaardig assortiment in de schappen en voor de ingrediënten waarmee maaltijden worden gemaakt.
Zo houden de eerste groep mensen samen de winkel financieel gezond, en kan deze rustig groeien tot een substantieel aandeel in de supermarktbranche. De mensen die de winkel samen met de boeren mogelijk maken zijn bereid en in staat om de in eerste instantie hogere prijs voor agro-ecologisch geteelde producten te betalen.
Omdat er een goed logistiek systeem wordt gebruikt, is leveren aan bedrijven en instellingen ook eenvoudig te organiseren.
Overheden zien het belang doordat de winkel(s) draaien: de gezondheid van burgers verbetert, en de belasting van natuur en milieu neemt af. Daarom ondersteunen ze de infrastructuur met ruimte en uren, zodat het haalbaar wordt voor elke portemonnee, en nog veel meer mensen dan de eerste 300 mede-eigenaren er boodschappen kunnen doen.
En toch, ondanks dat het zo simpel lijkt, blijft de productie en afzet van agro-ecologische landbouwproducten achter bij de landelijke ambitie om 15% biologisch landbouwareaal te hebben. Die ambitie bestaat omdat het mensen gezonder laat eten en omdat het minder druk legt op natuur en milieu. Waarom trekken we, Boeren, burger en bestuurders, daar dan niet harder aan?
Voor boeren is het financieel nu onaantrekkelijk of zelfs onhaalbaar om te werken aan een omschakeling naar agro-ecologische landbouw zonder financiële ondersteuning vanuit de overheid.
Agro-ecologische producten zij relatief duur in vergelijking met de vele ongezonde UPF’s in de schappen. Consumenten kiezen daardoor sneller voor een ongezond product dan voor een krop sla.
Hoe meer je erover uitlegt, hoe vreemder het klinkt dat de overheid, die de hoge kosten van de gevolgen van het huidige voedselaanbod draagt, niet reguleert. Want zowel de zorgkosten als de kosten voor natuur- en milieubescherming lopen op.
Er is dus echt heel veel werk aan de winkel. Waar wachten we nog op?